donderdag 18 juni 2009

instant fisherman

De laatste tijd zit ik regelmatig te denken over mijn visserij. Met name de lange dagen op karper die ik graag vaak zou willen maken beginnen nogal schaars te worden. Voor de paar uurtjes die ik wel regelmatig heb vind ik het niet echt de moeite om met grote hoeveelheden materiaal naar het water te fietsen. Veel aantrekkelijker is het dan ook om met zo min mogelijk materiaal de polder in te gaan, bij voorkeur met een spinhengeltje of een vlokstokje en wat aassoorten die niet al te selectief zijn. Gewoon een beetje uitwaaien en zien wat je vangt (of niet vangt) is eigenlijk wel een heel leuke en ongedwongen manier van vissen, die bovendien heel geschikt is voor mensen met weinig tijd. Stress levert het niet op, en plezier wel. Instant vissen zou je het kunnen noemen.

Gisteravond heb ik twee uurtjes vrijgehouden om met een licht spinhengeltje en een minimum aan ander materiaal op pad te gaan. Het plan was ook nog om lekker de fiets te pakken, maar die bleek ik niet in de buurt te hebben. Gelukkig werkt een auto even goed als je jezelf verplaatsen wilt. Het plan was om wat baarzen en eventueel ruisvoorns te gaan vangen met als aas een klein spinnertje met een rode vlieg erachter. In mijn tas zaten verder een doosje lood, een paar spinnertjes, een onthaaktang en mijn vergunning, die nog de meeste ruimte in beslag nam. Een net had ik thuisgelaten.

Een beetje onwennig ben ik nog wel na een tijdlang niet met een heel kort hengeltje gespind te hebben. De eerste worp leek meer op een poging een baksteen achterover over mijn hoofd te gooien... De tweede was alweer zoals het hoort, strak tegen de overkant van de vaart geplaatst, zonder de boel in de war te maken. Op de helft van de vaart zag ik het spinnertje nog net blinken toen het werd gegrepen door een mooie baars, die helaas ook meteen loste. Zijn tweede aanval liep op niets uit. De daaropvolgende worp leverde wel een goede aanbeet op. Niet van een baars, maar van een snoek. Ik zag de aanbeet nog voor ik hem voelde. Gelukkig wist ik me in te houden, je moet pas slaan als je de vis voelt. Bij slaan moet je je overigens toch al niet veel voorstellen als je hengel maar 1,20 meter lang is en je met 10/00 nylon vist. De snoek hing, met de spinner zichtbaar voorin de bek. Daar was ik blij mee, want spinstangen had ik niet, die zouden een beetje te zwaar zijn voor het heel kleine spinnertje dat ik gebruikte. Zo'n snoek kan nog behoorlijk zijn best doen op echt licht materiaal. De dril heeft minuten geduurd en de slip van het kleine Mitchell molentje is goed getest. Dat ik geen net bij me had was wel wat lastig, de snoek was al bijna te groot om hem veilig te kunnen pakken. Gelukkig heb ik geen heel kleine handen, en de eerste snoekenbeet sinds jaren kreeg ik pas toen ik de vis in bedwang hield terwijl ik me omdraaide om mijn tang uit de tas te pakken. Met twee kleine sneetjes in mijn vinger viel het allemaal nog best mee. 71 Centimeter snoek aan een lijntje 10/00, terwijl baars de beoogde prooi was, dat is helemaal niet vervelend. Twee meisjes op paarden waren zelfs een beetje onder de indruk.


Na zo'n vangst is het gemakkelijk om te denken dat alles wel goed en van een leien dakje zal gaan. Vissen blijft gelukkig vissen, en het uur na de eerste vangst heb ik geen visje op de kant weten te krijgen. Het water zat werkelijk vol met visjes die precies zo groot waren als mijn spinnertje, en alleen vlakbij de scholen jonge ruisvoorn kreeg ik soms een flauwe aanbeet als ik hoog viste. De baarzen hadden genoeg te eten gehad, dus de normaal felle aanbeten van de kleine polderbaarzen heb ik moeten missen. Omdat de begroeiing ook nog zijn best had gedaan om overal en nergens plukken en plukjes te vormen besloot ik om nog even verderop te gaan kijken voordat het tijd was om naar huis terug te gaan.

Op een mooi breed stuk water, met beduidend minder planten dan op de smallere vaart kon ik weer wat worpjes plaatsen. Het liep zeker niet hard, maar net voordat ik het eind van het pad bereikte haakte ik alweer een snoek. Iets kleiner dan de vorige, maar nog steeds een heel mooie vis, met flink wat pit.


Tijdens het onthaken viel het me op dat achter me in een onooglijk slootje gejaagd werd op de ook daar talrijk aanwezige voorntjes. Ik had mijn baars nog niet gevangen, en stiekem vond ik dat een beetje jammer. Daarom heb ik toch het slootje even uitgekamd. De eerste worp leverde me al een aanbeet op. Geen snoek deze keer, maar een prachtig gekleurd baarsje liet zien waarom ik zo graag op die polderbaarsjes vis. Het is grappig eigenlijk, dat mijn baarsvisserij soms wel gericht lijkt op twee heel verschillende soorten. De grote baars in relatief diep water in de winter gedraagt zich totaal anders dan de kleinere vissen in zomers polderwater. Ik vind het allebei leuk en ontspannend, dat wel, maar vooral het bijpassende warme weer maakt voor mij de visserij met heel licht materiaal op polderbaarsjes altijd zo geslaagd. Meestal zijn ook de aantallen een voordeel. Op sommige dagen lijkt het echt niet op te kunnen.


Mijn laatste kwartiertje leverde nog een derde snoekje op. Een worpje langs de eigen oever, spinnertje starten en hartstikke vast... Net toen ik begon te schudden om mijn spinner te bevrijden van het paaltje dat ik dacht gehaakt te hebben sprong een snoekje wild zwaaiend met zijn kop boven water. De spinner schoot uiteraard los. Dat had ik nog nooit meegemaakt, een snoek die de spinner pakt zodra hij het water raakt. Omdat ik toch nog vermoedde dat de vis misschien niet in de gaten had wat hem overkomen was heb ik snel een tweede worpje geplaatst. De snoek had duidelijk honger, want nog voordat de spinner een meter gelopen had hing de vis alweer. Met 59 centimeter was het de kleinste van de avond, en dat is nog helemaal geen heel kleintje voor een ondiepe poldersloot.


De volgende keer neem ik toch maar spinstangetjes en pleisters mee.

maandag 18 mei 2009

Windes in de wind

Na bijna een jaar van contact via email en op het lichtervissenforum is het zover, Joop gaat een dagje mee vissen. Voor ons beiden staan er wat eerste keren op het programma. Ik ga voor het eerst vissen met een vlokhengel, die mag ik lenen van Joop . Joop gaat voor het eerst de windes achterna. We hebben afgesproken om een uur of tien bij Joop thuis. Omdat het weer niet al te best is nemen we het er lekker van. We drinken een bakkie, en Joop laat me zijn mooie hobbyruimte zien. Er staat een prachtige verzameling lichte hengeltjes, en Joop is duidelijk druk bezig met het maken van spinners voor het komende seizoen. Heel gul krijg ik wat echte Rafaleblaadjes in mijn handen geduwd, evenals een prachtig presentje voor de kleine.

Als het na een uurtje eindelijk lijkt te stoppen met regenen vertrekken we naar de eerste plek. Daar heb ik eerder al aardig windes kunnen vangen, dus het leek me een logische plaats om te beginnen. Helaas is er van de weersverwachting weinig terecht gekomen. Het had al niet moeten regenen, maar de wind staat ook nog eens in de lengte van het kanaal, in plaats van in de rug, zoals ik had gehoopt. We proberen het een uurtje, gelijk weggaan is ook een beetje jammer. Van vis zien we helemaal niets. Joop probeert het op de gok wat dieper. Verstandig, want al snel wipt zijn vlokdobbertje wat op en neer, om vervolgens omhoog te komen en plat te gaan liggen. Een pracht van een brasemaanbeet, gevolgd door een dril zoals je die niet verwacht als je je brasems alleen vangt tijdens het karpervissen.




Als de brasem in het net ligt geeft hij nog een klap met zijn staart, waardoor het lijntje breekt. We beslissen om pas op een andere plek weer op te tuigen, hier is het veel te winderig. We rijden door naar de Lek, waar ik wel vaak langsgereden ben, maar waar ik nog nooit heb gevist. Een parkeerplek is nog niet makkelijk te vinden, evenmin als een krib waar je makkelijk bij kunt. Gelukkig komt zo'n plek toch en een beetje onwennig proberen we de rivier te temmen.


Joop meldt dat hij wat aanbeten heeft aan de basis van de krib, waar het heel ondiep is. Op de kop heb ik nog niet veel gezien. Ik ga naast Joop zitten en net als ik me afvraag of er wel vis zwemt in het enkeldiepe water schuift mijn vlokdobbertje snel weg. Ik sla, waarop een vis als een dolle dolfijn het water uitspringt. Hij is maar even boven water, maar ik herken hem aan zijn grote stompe kop: een winde. Ik heb er erg veel plezier in. De oude Fair Play vlokhengel die ik vandaag mag lenen van Joop gaat hoepeltje rond, en de slip van de even oude Pelican 50 laat zich ook nog horen. Joop poseert met de vis, die nogal slijmerig is.




Aan de andere kant van de krib staat de stroming wat gunstiger, en Joop meldt dat hij het daar gaat proberen. Al na een kwartiertje komt hij terug, zijn handen een halve meter uit elkaar houdend en druk gebarend en schuddend. Als hij zijn tas heeft bereikt vertelt hij dat zijn lijn gebroken is door een vis die woest tekeer ging. Nadat ik een brasem heb geland ga ik even bij hem kijken. Hetzelfde blijkt hem nog een keer overkomen te zijn. We vragen ons hardop af wat het geweest kon zijn. Grote windes die achter een steen langs zijn gezwommen, of misschien wel ondiep fouragerende barbeel? Het windeverhaal lijkt waarschijnlijker, als Joop er één haakt die als een speer naar het diepere water vlucht. De slip staat wat losser nu, en het dunne lijntje overleeft het geweld. Joop is alweer de gelukkige wat het poseren betreft...


Kort na deze vangst besluiten we dat het wel genoeg is geweest. De wind wordt wat kouder, en we hebben allebei gevangen waarvoor we kwamen. Als het weer een beetje prettiger is doen we het nog eens over.

zaterdag 2 mei 2009

terug naar de polder

Donderdagochtend om 5 uur heb ik met Ap afgesproken op het parkeerterreintje waar ik inmiddels al bijna een eigen plekje heb. We gaan vissen op de karpers die nog steeds op voor ons goed bereikbare plekken in de polder wachten op warm weer. Vorige week bleek al dat de vissen vol zaten met hom en kuit, dus dat de paai snel zal komen is wel duidelijk. Ap is een beetje later, hij rijdt de straat van de andere kant in dan ik. We zetten onze hengels alvast maar in elkaar bij het licht van een lantaarn, omdat het nog behoorlijk donker is.

Alles lijkt alsof er niets veranderd is. De vogels zijn iets vroeger begonnen met zingen, en de specht laat zich al horen, maar de karpers liggen nog precies daar waar ik ze achterliet toen ik vorige week naar huis ging. Dit moet gewoon een goede dag gaan worden. De temperatuur gaat vandaag niet laag zijn volgens de voorspellingen, en de wind is zwak. We beginnen bij de eerste zichtbare karper. Ap meent wel een aanbeet te zien, maar ikzelf zie alleen karpers langs mijn aas zwemmen. De meegenomen garnalen worden heen en weer getorst door de plaatselijk zeer algemene Amerikaanse kreeftjes. Plan B is het monteren van een dikke huisjesslak. Die plant ik vlak onder de overkant tussen de begroeiing in. Die wordt door wel drie verschillende vissen geheel genegeerd. Jammer, maar de dag duurt nog lang.

We verkassen een stukje, hopend wat vissen te vinden die wel willen eten. Tussen de planten die groeien in een heel ondiep stukje zit redelijk wat vis. Ik leg mijn slak vlak tegen de planten, hopend op een aanbeet. Of die er echt was of niet weet ik niet, het kan ook een lijnzwemmer zijn geweest. In ieder geval sloeg ik een prachtig gat in de lucht, net als bij alle andere keren dat mijn drijvertjes later op de dag in beweging zouden gaan komen. Ap lacht me uit, om vervolgens hetzelfde nog een paar keer te doen. Heerlijk, zo'n dagje lekker prutsen. We vermaken ons ondanks alles prima, er is tenslotte genoeg te zien.


Binnenkort doen we het nog eens over, hopelijk met iets meer succes.

dinsdag 21 april 2009

klassieke schoonheid in een vroege polder

Het is zes uur. Een beetje vroeg nog, maar het is al wel licht. Ik ben net aangekomen in de polder waar ik eergisteren ook al even gevist heb. Toen was het maar een uurtje, nu heb ik iets meer tijd. Vandaag werd onverwacht een vrije dag, precies midden op de dag hebben we een afspraak in het ziekenhuis, waardoor werken een beetje lastig wordt. Het is hier heerlijk stil. De drukke autoweg achter me lijkt nog wel verlaten. De wind, die zachtjes in mijn gezicht blaast voorkomt dat herrie van voorbijrijdende vrachtwagens echt storend wordt. Vogels laten zich nog nauwelijks horen, dat komt wel. Tijdens de wandeling naar de eerste brug heb ik al wel een aantal eenden en een reiger verstoord.

Vanaf het eerste bruggetje heb ik een mooi uitzicht over dit oude poldertje. De middeleeuwse dijk die er bijna dwars doorheenloopt wordt geflankeerd door donker veenwater. Links van me valt beweging op. Twee kleine karpers eten ongegeneerd iets wat ik niet kan zien van het oppervlak. Onder de brug blijken er meer te zitten, alweer kleinere vissen. Ik besluit door te lopen naar de stek waar ik eerder zat, een paar honderd meter verwijderd van de weg die later wel veel herrie zal gaan maken.

Waar nog geen 48 uur geleden zoveel karpers zaten dat je over de ruggen naar de overkant kon lopen zonder natte voeten te krijgen, is het nu bladstil. Geen belletje spat uiteen, geen vin beroert van onder af het oppervlak. Toch maar weer terug naar de brug. Beter een kleine karper dan helemaal geen karper, daarvoor zijn mijn visuren me te kostbaar. Toch licht gedesillusioneerd zet ik de hengel, die nog beneden stond nadat ik hem eens goed had schoongemaakt weer in elkaar. Mijn tuig moet maar heel simpel zijn. Ik kan me wel een beetje voor de kop slaan omdat ik het halfje brood waarmee ik ruim een uur geleden in mijn handen stond weer in de kast heb gelegd. Door de ruimte die ik daarmee bespaard heb heb ik nu wel koffie in mijn tas, maar geen mogelijkheid om de karpers die ik zie te vangen. Ik schuif twee drijvertjes op mijn lijn. Ze zijn gemaakt van een stukje van de schacht van een ganzenveer. De topjes heb ik in oranje verf gedoopt. Een enkel loodhageltje en een dunstelige haak en ik ben klaar.

Eerst een klein handje voer naast de rozet van een gele plomp. Als er karper gaat eten zal het vast daar gebeuren. Ik gok dat het water hier ongeveer 50 centimeter diep is, maar daar vergis ik me in. Het eerste drijvertje zinkt totdat het loodje de bodem heeft bereikt. Nog maar net zichtbaar blijft het staan, bijna 20 centimeter onder water. Net buiten werpbereik laten wat karpers zich duidelijk zien door hun gedrag. Ik zie een stukje rug, een grote ronde bek en een stukje staart. Ze liggen, net als de kleintjes op de diepere hoofdwatergang waar ik nu naast zit, vlak onder het oppervlak, tussen de planten. Ik maak het me gemakkelijk en schenk een eerste bakje koffie in. Het is niet koud, en de eerste zangvogels laten zich horen. Een tjiftjaf zit schuin voor me, met een merel er vlakbij. Wat dichterbij zitten twee koolmezen tegen elkaar op te bieden, terwijl her en der vinkeslagen klinken.

Ik heb me al een beetje neergelegd bij een ochtendje kijken en genieten. De vissen gaan zich alweer niet gemakkelijk laten vangen zo te zien. Of toch? Een paar belletjes ontstaan, duidelijk veroorzaakt door een wroetende vis. Even later een stuk van een staart. Staart en bellen horen bij elkaar. Als de bellen zich verplaatsen doet de staart het ook. Het bovenste drijvertje schuift richting het onderste, en weer terug. De vis heeft mijn lijn geraakt. Ik laat de halve sigaret die ik tussen de vingers van mijn linkerhand houd voorzichtig vallen. Ik ga zo beide handen nodig hebben. Het drijvertje schuift opnieuw, nu van het voorste drijvertje weg, dat nu bijna weer boven water komt. De vis heeft zich opgericht en het loodje van de bodem getild. De drijvertjes vervolgen nu samen hun weg naar links, richting de ondiepe zijsloot. Ik sla, net als eergisteren, als ik denk dat alles goed zit.
Ik ben middels "Nico" en de lijn verbonden met een trage karper. Even zie ik hem. Hij lijkt me van gemiddelde grootte en gewicht, een pond of vijftien, misschien een beetje meer. De vis zwemt van me weg, in de richting van een plompenbed. Ik probeer hem niet te stoppen, dat zou dom zijn. Hoe minder geweld ik maak, hoe rustiger de vis blijft. Hij komt toch wel weer los. Tijd heb ik genoeg, de vis ook. Hij laat zich niet opjutten en zwemt langzaam onder de bladeren door. Ik laat de spanning even gaan, waarop hij stopt met zwemmen. De hengel gooi ik om, ik trek nu vanaf de andere kant. De vis doet braaf wat ik van hem verwacht, zwemt dezelfde weg terug en zoekt zijn heil in de hoofdwatergang. Hij blijft laag, ik verbaas me daarover. Harder trekken dan ik al doe durf ik niet, het haakje is niet krachtig genoeg voor zoiets. De hengel houd ik voortdurend onder de maximale spanning, en ik geef voorzichtig mee als de vis weer een metertje weg wil zwemmen.
De slip laat zich soms even horen. Een fietser valt bijna als hij zich realiseert dat er iets gaande is en al rijdende probeert om te kijken. Hij blijft niet wachten op de afloop. Ik sta al zeker vijf minuten met een heel krom eind glasvezel in mijn handen. De volgende kijker is een oudere hardloper. Hij blijft staan, wil iets zeggen maar houdt zijn mond. De vis bevindt zich vlak onder hem. Hij staart ernaar. Ik hoop dat hij blijft, iets zegt me dat ik me in het formaat van de vis flink vergist heb. De hardloper besluit helaas zijn ronde te hervatten, het duurt hem te lang. Ik durf hem niet te vragen te blijven wachten. Er zijn al bijna tien minuten voorbij. De vis laat zich eindelijk van de bodem lichten, zei het onder protest. Hij is moe, ik ook. Mijn arm begint pijn te doen, terwijl ik er toch op let niet in het handvat te knijpen. Ik neem de hengel even in mijn linkerhand, ondertussen lopend richting het net dat een paar meter verderop ligt. De karper geeft het nu echt op. Als een grote boot komt hij deels op eigen kracht dichterbij.

De karper die mijn net in zwemt blijkt te worden gevolgd door een tweede vis, die zelfs heel even op de rand van het net balanceert. Ik ben blij dat hij de goede kant opglijdt, terug het water in. Op een druktemaker in mijn net zit ik niet echt te wachten. Met alleen de linkerhand blijk ik het net niet te kunnen tillen. De hengel leg ik neer. Met twee handen lukt het wel. Voor me ligt een grote schubkarper, een vrouwtje vol met kuit. Wat zal ze wegen? Ik heb alleen een meetlintje. 77 centimeter is ze. Gezien de omvang zal het gewicht al snel een pond of 25 halen. Eindelijk, na lang zoeken en proberen weer een grote karper! Met de zelfontspanner maak ik ruzie totdat ik een foto heb waarop zowel de kop van de vis als mijn ongewassen hoofd staan. Een netter plaatje maak ik met de vis in het net.

Ze gaat terug. Ik kijk haar na, schenk koffie in en besluit mijn blaas te legen tegen een populier die gezien het aantal brandnetels eromheen al vaker voor dat doel is misbruikt door passerende fietsers. Nu het moeilijkste moment: stoppen of doorgaan? Beter dan dit wordt het eigenlijk niet meer, zelfs niet als ik een vis vang die groter is. Stoppen zou echter het opgeven van vistijd zijn, en dat kan niet. Ik besluit door te lopen naar een plek verderop. In een heel ondiep stuk water zijn wat karpers bezig zich door de plompen te bewegen. Ik zoek voorzichtig een stukje plantvrije bodem in het water dat hier maar 30 centimeter diep is. Zoals vaker vraag ik me weer af hoe het toch kan dat een grote vis zich ongezien door zulk ondiep water kan voortbewegen. Dat ze het kunnen bewijst het schokken van mijn drijvertje, nog voordat ik zelfs maar een belletje heb gezien. Een tweede vis komt opvallender dan de eerste richting het kleine voerplekje. De eerste kiest snel eieren voor zijn geld, pakt wat hij pakken kan en vertrekt. Hij had ook mijn haak te pakken.


Deze vis is sneller dan de eerste. Ik kan hem zien in het ondiepe heldere water, deze is wel van hooguit gemiddeld gewicht. Hij trekt zich niets aan van mijn voorzichtigheid. Sleurt meer dan tien meter lijn dwars door de plompen heen. Ik voel het trekken van rechts komen, maar de vis zit al links van mij. Probleem. Ik besluit er een uitdaging van te maken. Niet meer trekken nu, gewoon afwachten. De vis is het al snel zat, zwemt langzaam terug. Hij heeft zichzelf vermoeid met het vechten tegen het vlechtwerk dat hij zelf heeft gemaakt. Een specht begint te roffelen.
Opnieuw een plaatje. Nu zonder de zelfontspanner. Onding.


Het is negen uur. Een boer komt zijn stuk geploegde grond rijp maken voor een jaar maisteelt. Bij iedere gang verplaatsen de nog aanwezige vissen zich langzaam, bijna onmerkbaar richting het diepere water. Ik houd het voor gezien, wil vooral de boer niet tot last zijn, het is tenslotte zijn land. Licht verdoofd loop ik terug naar de auto.

zondag 19 april 2009

Polderkarper


Vandaag was het een mooie dag voor een kort uitstapje met het hele gezin. Kleine in de kinderwagen, moeder er trots achter en papa, die ook niet van gisteren is, zoekend naar tekens van leven in het water van de vantevoren zorgvuldig uitgezochte polder. Alleen de kat bleef thuis. Dit poldertje bezocht ik eind vorig jaar voor het eerst. Het waaide toen stevig, maar er was genoeg te zien. Er was de mooie poldersnoek, de eerste die ik ving met mijn toen net nieuwe Glass King vijfgrammer, een hele horde baarsjes, maar ook een karper van zeker 25 pond, een vis die ik toen en op die plek eigenlijk niet verwacht had.
Nu april al bijna voorbij is giert de karperkoorts vervelend persistent door mijn lichaam. Een jaarlijks terugkerend fenomeen is dat, alleen te stillen met het vissen op de sterkste vis die onze polders rijk is. Zoeken naar tekens van leven was niet nodig. Waar je normaal de gemiddelde wandelaar met een forse snoek of een stevige brasem in het gezicht moet slaan voordat hij de vis opmerkt, stonden vandaag mensen gebiologeerd te staren naar een waar spektakel. De voorns waren nog het minst duidelijk, die zullen wel niet gezien zijn, maar hele groepen ruisvoorns, helaas van hooguit gemiddelde lengte, waren druk bezig eieren te leggen tussen plukjes gras langs de slootkant. Net zoals ik het meer dan twintig jaar geleden al deed heb ik stiekem mijn hand even onder water gestoken, om de visjes te kunnen voelen en er één heel even vast te pakken en te bekijken.


Veel meer misbaar maakten de brasems. Door de voor mij niet al te gunstige stand van de zon kon ik de vissen moelijk zien, maar de puntige vinnen, en af en toe een flits van een kantelend visselijf maakten al gauw duidelijk dat de brasems druk aan het paaien waren. De meeste deelnemers aan deze opvallende orgie waren van een heel behoorlijk formaat, ik zag verschillende "vijftigers", en dan ook niet de kleinsten onder hen. Wat nog veel interessanter was waren echter de afgeronde staartlobben die soms even boven water kwamen: karper. Of die nu actief aan het paaien waren, of gewoon de brasems nazwommen om de eieren te kunnen eten was onduidelijk, maar dat ze er waren was natuurlijk al interessant genoeg.

Een paar pubers waren al bezig met wat ik ook direct had willen doen. Met licht materiaal probeerden ze iets van de feestvreugde mee te pikken. Zo midden op de dag gaf ik ze niet veel kans, iets wat waarschijnlijk ook tot de struinende vissers in de dop doordrong, want ze gaven al gauw op. Voor mij een mooi moment om het meegebrachte blikje mais tevoorschijn te halen (ik had al gezegd dat papa niet van gisteren is?). In een ondiepe sloot was een aantal karpers druk bezig met langzaam zwemmen en eten. Ze lieten zich nauwelijks storen door mijn gekruip, sterker nog, de inhoud van het blikje werd met enthousiasme geaccepteerd als een alternatief voor de veel te kleine brasemeitjes.
Ik heb zelden zo snel een maaltijd bereid en het resultaat naar binnen gewerkt. Echt veel tijd is er niet, maar een paar uurtjes meepikken moest kunnen. De gevoerde mais moest inmiddels wel weg zijn, en met een beetje mazzel hadden de vissen een uur of wat later alweer een beetje honger. Het is een klein kwartiertje rijden naar het industieterreintje waar je kunt parkeren. Van daar is het nog een minuut of tien lopen. De reis werd iets verlengd door een meneer in pak, die driftig met een papiertje zwaaide in de hoop mijn aandacht te trekken. Hij moest naar een feest van een kappersorganisatie, maar doordat hij slechts gebrekkig Nederlands sprak en bovendien geen bril had meegenomen was hij verdwaald. Ik heb hem naar zijn bestemming gebracht (tip voor het kappersbedrijf: geef je feest voortaan niet op zondagavond, op een donker en verlaten industieterrein, een zaaltje in de binnenstad kost je maar een paar knaken), en een kwartiertje later dan gepland kon ik de spullen voorzichtig uit de wagen trekken en de wandeling de polder in beginnen.


Overdag waaide het nog wat, maar met het zakken van de zon nam ook de windsterkte af. De karpers hielden zich aan hun kant van de afspraak; ze lagen nog keurig daar waar ik ze 's middags had achtergelaten. "Nico", mijn favoriete polderhengel, werd opgetuigd met een Mitchell 300 en een lijntje 24/00. Te stevig voor de ondiepe slootjes, maar broodnodig aan de andere kant van het smalle veldje, waar de plompenbedden al bijna volgroeid zijn. Net als vanmiddag werd mijn aanwezigheid niet zichtbaar irritant bevonden. De karpers in deze polder laten zich even wegzakken als ze onraad bespeuren, om vervolgens vrolijk verder te gaan met wat een karper allemaal doet op een dag. Het leek me een makkie: tien azende karpers op 50 vierkante meter water. Handje mais erin, pennetje erachteraan en wachten maar.

Daarin heb ik me al vaker vergist, dus toen ik na een half uur alleen nog maar lijnzwemmers had gehad, en geen aanbeet, vond ik dat niet eens zo erg. Om me heen werd de gekte alleen maar groter. De moderne karpervisser spreekt heel objectief over "activiteit". Activiteit is de juiste term gewoon niet, dit was pure kolder. Achter me zwom een dikke twintiger door een inhammetje van 20 centimeter diep. Zijn buik produceerde een langgerekt bellenspoor, terwijl zijn rug idioot hoog boven de waterspiegel uittorende. Vóór me zwommen vier kleinere vissen rondjes over mijn voerplek. In een andere sloot, die ik net kon zien sprongen twee karpers van gemiddeld formaat gelijktijdig hoog boven het water uit.

Het is een beetje mijn natuur, maar ik word erg rusteloos van alle bewegingen op zo'n avond. Ik ga erg twijfelen aan de geur van mijn aas, de plaatsing van het lood en de plek die ik heb uitgekozen. Uiteindelijk wint de twijfel het altijd van de luiheid. Na een uur heb ik voorzichtig mijn minder belangrijke spullen onder een struikje gelegd, en ben ik alleen met net, hengel en een bakje mais naar de plek gelopen waar ik de karpers zag springen. Karpers springen niet voor niets: bijna altijd doen ze dat als ze druk aan het eten zijn. De modder die ze tussen de kieuwen krijgen proberen ze op die manier kwijt te raken.


Het begint al een beetje donker te worden, en ik bepaal mijn laatste plekje puur op basis van een goede gok. Tussen de zichtbaar bewegende vissen in. Ik realiseer me dat ik waarschijnlijk op slechts de helft van de karperpopulatie zit te vissen. Naar verluid eten de mannetjes niet of nauwelijks als ze bezig zijn de vrouwtjes het hof te maken. Het wordt spannender nu het eindelijk echt avond wordt. De aanwezige vissen bewegen zich trager, lijken langer te blijven hangen in de buurt van eetbaar materiaal. Mijn pennetje trilt even, terwijl het wateroppervlak onberoerd blijft. Voorn misschien? Ik zak terug. Een kolkje naast mijn pennetje. Verderop een kabaal: een karper sprong. Het zelfgemaakte dobbertje richt zich plots op, komt vér boven water, en zakt weer. Dit herhaalt zich, terwijl het ding zichzelf lijkt voort te bewegen. Een vis is duidelijk bezig mijn voerplek korrel voor korrel leeg te eten, met mijn haak al in zijn bek. Ik sla. De vis hangt, en verzet zich bokkend. Hij is niet groot, maar de zachte glasvezel hengel kromt zich mooi. Het duurt nog enige minuten voor ik ga staan, het net in de hand. Een kleine maar sterke karper geeft zich gewonnen, voor eventjes. Een mannetje, dus ik heb toch op de hele populatie gevist