dinsdag 24 mei 2011

twijfelachtig succes, deel 2

Nee, ik heb heus geen jaar nodig gehad om over de teleurstelling heen te komen, echt niet. Het steekt nog wel een beetje. Morgen is het een jaar geleden dat ik een foto plaatste van een verschikkelijk kromme hengel boven een polderslootje ergens in het Groene Hart. Ik beloofde er snel meer over te schrijven, maar dat kwam er niet van.
Het was een prachtige mei-avond, iets warmer dan het vanavond zal worden. Ik had mezelf de tijd gegeven om tot in het donker door te vissen in water waar ik eerder grote hoeveelheden zeelt had zien paaien. Met een speciaal voertje, gebaseerd op een idee van Lichtervisser Jurriën had ik op strategisch gelegen plekjes een ware vismagneet geproduceerd. Vissen was even lastig op de meeste plaatsen omdat er gehooid werd. Drie trekkers met aanhanger denderden in ploegendienst over het smalle middeleeuwse pad en ik was meer bezig met mijzelf en mijn spullen veilig te houden dan met vissen. Echt erg was dat niet, de beste tijd is, zeker voor zeelt, toch dat kleine uurtje voordat het te donker wordt om een dobber te kunnen zien.
Nadat de rust weergekeerd was (en wat is het dan heerlijk in een door mensen verlaten polder) ben ik gaan lopen langs alle plekken die ik had gemaakt. Er was veel minder zichtbaar van zeelten dan ik had gedacht. Geen schuimpakketjes, geen gewalm tussen de planten, helemaal niets. Ze zítten er, moets ik mezelf vertellen. Ik had ze gezien, hoewel dat al heel lang geleden was. Wat ik wél zag was karper. Veel karper bovendien. Net als in andere polders in de buurt kregen de karpers hier het een beetje op de heupen in de avondzon. Lange sporen over de spiegelgladde sloten lieten me precies zien waar ze waren. Dat is heel aardig van die karpers. Door zich te laten zien weet je als visser met erg licht materiaal precies waar je beter even weg kunt blijven.
Bij een bruggetje heb ik uiteindelijk mijn plek ingenomen. Het water daar is dieper dan in de directe omgeving en het zag er in zijn geheel erg 'vissig' uit. Eerst nog een flinke hand los voer het water in en vervolgens mijn hele zeeltliftconstructie erachteraan. Ik had nog steeds knap veel last van een hernia en de brug had het voordeel dat ik erop liggen kon. Zodoende kon ik het vissen zonder telkens te moeten bewegen nog wel even volhouden. Echt vaart zat er trouwens toch niet in. Een belletje hier, wat kringen van ruisvoorns daar en in de verte het continue lawaai van een kleine aalscholverkolonie. Lekker gezapig allemaal, precies zoals ik het graag heb.
Vlak voordat de zon achter de horizon zou zakken gebeurde er dan eindelijk iets. Een beetje gewiebel onder water. Het verplaatste zich langzaam van mijn plek naar een zijsloot en weer terug. Waarom ik niet heb opgehaald om het verderop te gaan proberen weet ik niet. Iedereen met een beetje gezond verstand zou, nadat hij had geconstateerd dat er een karper op zijn plek zat, wel even zijn gestopt met vissen. Of beter, gestopt zijn met vissen omdat hij vist met een brasemhengeltje met een lijntje 14/00 op een piepklein molentje. Ik niet. Ik bleef gewoon zitten en staren naar de tekenen van aanwezigheid van een karper.
Echt lang wachten op de moeder van alle problemen was niet nodig. Ik trek ze aan, die problemen. Het 'voer volgens Jurriën' was vervolgens voldoende om van de hypothetische verdoemenis een keiharde realiteit te maken.
De karper had het voer gevonden en hij leek niet van plan weg te gaan voordat alles op was. Een staartlob kwam boven. Die lob was een flink stuk groter dan mijn hand met gespreide vingers, constateerde ik terwijl ik dommig naar mijn hand lag te staren. Dat die staart helemaal boven kwam terwijl de uitgestoken bek van de vis meer dan 80 centimeter dieper brokken voer naar binnen werkte gaf al aan dat de vis groot was. Met groot bedoel ik dan echt groot...
Daar stond ik dan, een onmogelijk slap brasemhengeltje in de hand, met voor mijn voeten een netje waar echt geen fikse karper in past. Van deze vis zou zelfs de kop niet hebben gepast. De vis kon het niet eens schelen dat ik hem een piepklein en dun haakje in de lip had gejast. Hij kwam eens rustig boven om te kijken wat hij aan zijn pet had volgens mij. Soms vang ik behoorlijk grote karpers. Ik weet hoe een vis van 25 pond eruit ziet. Hoe zwaar deze was durf ik niet te zeggen. Hij was echt enorm veel groter dan de grootste vissen die ik heb gevangen.
Er zat een half klosje lijn op de molen. Dat is dus 75 meter. Meelopen ging niet. Aan de ene kant werd de oever al na een maar meter onderbroken door een zijsloot en aan de anderen kant groeit een hele rij wilgen vlak langs de kant. Ik kon alleen maar blijven staan en proberen mezelf niet met mijn vrije hand voor de kop te slaan. De karper zwom op wandeltempo recht van mij af. Bij elkaar zal het geen drie minuten geduurd hebben, maar het leken uren. De lijn werd in een mooi constant tempo van de molen gesleurd, ik voelde het knoopje door de ogen gaan en vervolgens de droge tik van de brekende backing, die bestond uit allerlei lengtes lijn die al jaren te slecht zijn om er nog mee te vissen.
Ik ga nog wel eens terug. Dat zeelten heb ik vanzelf wel een keer gezien en dan komt de karpergriep. Met één karper heb ik nog een klein appeltje te schillen.

3 opmerkingen:

Ap zei

Af en toe keek ik even..."Nog niks", dacht ik.
Gelukkig weer wat geschreven Arjan!

Anoniem zei

Ja, ik weet ook wat daar allemaal zwemt rond dat plekje.
Karper of graskarper van groot formaat, niet te houden.

Leuk dat het bericht nu is afgesloten.

Hans zei

Hoi Arjan,

Leuk om je verhalen weer te volgen!

Groeten,
Hans O.