dinsdag 1 september 2009

natte pakkendag

De rust van een vroege zondagmorgen is toch altijd wel een goede reden om het bed al om vijf uur te verlaten. Het is heerlijk om over een een stille weg te rijden, vooral als je weet dat aan het eind daarvan mensen klaarstaan met een prima doel: een dag vissen op de grotere polderbewoners. De bedoeling deze zondag was namelijk het bevissen van zeelt en karper in typisch Zuid-Hollands polderwater. Ap en Bas zijn vroege vogels, die stonden al klaar. Harvey, Dale en Ben voegden zich iets later bij ons.


Ap en ik hadden de eerste stek al een aantal dagen eerder verkend. Samen hebben we zogenaamde zeeltgangen gemaakt. De begroeiing werd weggehaald met twee op elkaar gebonden harkkoppen aan een lang touw. Het idee erachter is dat je zo ruimte maakt en dat de bodem omgewoeld wordt. De zeelten komen op de verstoorde bodem af om er de kleine diertjes uit te pikken.

Iedereen zocht een mooie zeeltgang uit, behalve Dale, die alleen met de pen op karper vist. Hij ging struinend en kruipend de grote karpers achterna met een paar maiskorrels onder een pennetje. Mijn plekje koos ik naast Ben. Die had ik nog nooit ontmoet, dus zo konden we even een praatje maken tussen het vissen door. Ben had zich speciaal voor de gelegenheid een pracht van een lichte Hardy penhengel aangeschaft. Die werd compleet gemaakt met een Trudex centrepinreel. Het was wel even wennen na lange tijd alleen maar met de vliegenhengel te hebben gevist, maar gelukkig doorbraken de ruisvoorns bij Ben de spanning een beetje.


In de verte meende ik wat beweging te zien. Later bleek die te worden veroorzaakt door een visser, een mental coach en een zwemmer, die allemaal nodig waren om één karper op de kant te krijgen. Dale had al snel succes, maar de karper had zich vreselijk vast gezwommen. Ap stond hem geestelijk bij, terwijl Bas een stukje het water in ging om een pakket van vis in dikke groenten te kunnen scheppen. Daarmee was de eerste vis gelijk de grootste van de dag.




Aan 'onze' kant van de brug liep het beduidend minder hard. De ruisvoorns lieten bij geen van ons de worm met rust, zodat er genoeg te zien was, maar van grote vis vreesde ik geen last te gaan krijgen. Mijn zelfgebouwde hengeltje lag op twee steuntjes omdat ik de hardheid van de laklaag nog niet vertrouwde.


Eigenlijk was ik een beetje verbaasd toen langzaamaan steeds meer bellen verschenen op mijn plekje. Eerst kwamen ze verspreid, dan eens hier, dan weer daar, maar later werden ze steeds talrijker en de pakketjes lagen dichter bij mijn kleine voerplekje. Toen de bellen ook naast mijn pennetje bovenkwamen werd duidelijk dat het om vis ging. De dobber kwam naar boven toen de vis het aas met het ankerloodje optilde, om vervolgens met bellen en al steeds verder richting de planten te verdwijnen. Ik wachtte lang met slaan. Iets te lang voor het mooie, maar ik wilde graag zeker weten dat ik mezelf niet voor de gek hield en dat dit een échte vis was.


Direct nadat de vis in de gaten kreeg dat hij een probleem had boog het hengeltje prachtig rond op een bokkend stuk polderbeest. Zeelten kunnen flink tekeer gaan op de vierkante meter en deze was geen uitzondering. Over het trekken van zeeltgangen leerden we snel iets: die moeten breder, veel breder. In een gaatje van een halve meter breed kun je prima voeren en vissen, maar met licht materiaal kun je er geen sterke vis in afmatten. Vriend zeelt boorde zich flink diep in een naburig hoornbladbed, en daarmee was voor hem kennelijk de kous wel af. Ap bleef keurig in zijn rol als psycholoog van vissers in nood. Ben deed er ook nog een schepje op, door me voorzichtig te vragen of het wel verstandig was om te gaan trekken aan een vastzittende vis met een lijntje 14/00. Gelukkig had Ap de oplossing. De hark die we eerder gebruikten voor het trekken van de zeeltgang werd ter hand genomen. Met planten en al kwam de vis gemakkelijk naar de kant. Het duurde even voor ik hem zag tussen alle groen, maar een scheppoging was gelukkig in één keer goed.


Toen de vis op de kant lag liet ik me wel even iets ontvallen. Hij was dan misschien niet heel lang, maar wel erg massief. Een prachtvis, te licht bevist misschien, maar wel een waardig tegenstander.


De rest van de ochtend bleef het stil. Andries kwam ons versterken toen we net op het punt stonden naar wat plasjes in de buurt te vertrekken. Andries kent de omgeving het best van ons allemaal, het is een beetje zijn achtertuin. Iedere visser werd naar een plek gestuurd die het meest geschikt leek. Samen met Bas liep ik naar een watertje waarin naar verluid nog veel zeelt zwemt, de anderen probeerder het dichtbij de auto’s op de grote karpers die in één van de plasjes zwemmen.



Ik maakte het mezelf gemakkelijk op een plekje met de wind in de rug, waar ik tussen de plompebladeren belletjes zag. Bas is meer een doorbijter, die liep een moerasje in om met de wind pal in het gezicht op een rustige stek te gaan zitten. Dat daar meer vis te verwachten was bewees hij al na een paar minuten. Bas riep iets onduidelijks en ik zag een vreselijk kromme hengel in de handen van een in camouflagekleuren gekleed figuurtje aan de overkant.


Omdat ik toch nog maar nauwelijks begonnen was ben ik even omgelopen om het spektakel van dichtbij te bekijken. Dat Bas een karper had gehaakt was wel duidelijk, maar of hij hem er ooit uit zou krijgen was maar de vraag. De vis was dwars door de plompen heengeploegd en vlak voordat hij er met kunst- en vliegwerk weer uitgepriegeld was had hij zich muurvast weten te krijgen achter een stengel.


Na twijfels en het afslaan van het aanbod het water in te gaan ben ik toch maar zo vrij geweest de stap in het koude water te wagen. De vis was gelukkig moe, dus ik kon hem nog vrij gemakkelijk het net in krijgen. Bas had droge kleding bij zich bovendien, dus het tweede natte pak van de dag was niet zo'n grote ramp. Een prachtige schubkarper was de beloning, die even later werd gevolgd door een spiegel.


Na alle avontuur hebben we vooral wat nagekletst in het gras. Jurriën, die niet mee kon wegens verplichtingen elders kwam toch nog even langs met warme worstenbroodjes, die heel welkom waren.

Het was een heerlijke dag, aan alle deelnemers een wegemeend "bedankt!"

donderdag 27 augustus 2009

Herbouw van de Fair Play deel 3

De herbouw van mijn oude Fair Play Winston karperhengel heeft een lange tijd om verschillende redenen stilgelegen. De belangrijkste was wel de tijd die ik nog nodig had om de hengel op te knappen. Er gaat toch al snel een volle werkweek aan uren in zitten, zeker als je niet zo geoefend bent als de professionals. Daarnaast had ik een probleem met de wikkelingen die ik eerder met zorg gemaakt had. Het garen leek te zijn gaan rafelen terwijl het wel gewoon Güdebrod wikkelgaren was. Hoe het kwam weet ik nog niet, maar het effect was dat na het aflakken de wikkelingen eruit gingen zien als miniatuurstekelvarkentjes. Dat was nogal demotiverend. In plaats van één volle werkweek moest ik er nu twee besteden aan het geconcentreerd ronddraaien van een flink stuk glasvezel.

Hier is goed te zien hoe de linkerwikkeling eruit is gaan zien als een stekelvarken...
Een verse klos lag, nog keurig in plastic verpakt, al een goede maand te wachten tot ik weer eens zin en tijd had om verder te gaan. Dat was de afgelopen week het geval. De meeste wikkelingen zijn inmiddels vervangen, met een veel beter resultaat. Van John kreeg ik, over een hengel die ik eerder opgelapt had, het commentaar dat ik wat meer lagen lak moest gaan gebruiken. De hengel in kwestie had dat niet omdat de bouwer ervan dat bewust naliet, dus ik ben zo eigenwijs geweest het zo te laten, maar op een Fair Play horen de wikkelingen er toch wel echt uit te zien als strakke glimmende bandjes, waarin je alleen met moeite de individuele omgangen van het garen nog kunt zien.

Hij mag weer Fair Play heten.

Vorige week heb ik samen met Joop een bezoekje gebracht aan Amsterdam. John heeft de transfers op de hengel gezet. Deze maken de hengel toch wel echt af vind ik.
Na nog een aantal laagjes lak zijn de wikkelingen meer één geheel geworden met de hengel. Ik vind hem klaar. Aanstaande zondag mag hij voor het eerst mee naar de waterkant.

zondag 9 augustus 2009

zakformaat



Soms ben ik al tevreden als alles op zakformaat is. Een heel kort hengeltje, een piepklein molentje en het kleinste spinnertje dat ik vinden kan. Een netje voor de zekerheid en ik ben klaar voor een paar uur vissen.

Met vrouw en kind op een terrasje zitten is prima als het mooi weer is, maar als het aan mij ligt zitten we dan wel aan het water, dan kan ik tenminste ook nog naar de vissen kijken. Niet eens zo ver van huis is een terrasje dat aan alle eisen voldoet. Het is er meestal rustig, de tafeltjes staan direct langs de waterkant en de eigenaar van de bijhorende kroeg is een vriendelijke man.


Er was voor mij voldoende te zien vanaf mijn stoeltje. Een hele school blankvoorns van niet eens gering formaat trok rustig het grachtje op en neer, gevolgd door een flinke kudde baarsjes. Die baarsjes waren allemaal jonge vissen, zelden groter dan een centimeter of tien, maar de aantallen maakten dat ik toch best wel op die plek zou willen vissen. Om de visjes te kunnen vangen moest ik echter wel een plan maken. Met de spinners die ik normaal gebruik verwachtte ik niet veel kans te hebben om ook iets te haken.

In mijn doosje met los materiaal had ik gelukig nog een paar zakjes met heel kleine spinnerblaadjes zitten, variërend van 12 tot 15 millimeter. Tijdens het wachten tot de lak van de Fair Play (die nu echt bijna af is) droog was heb ik een paar heel kleine spinnertjes gemaakt. Kleine haken had ik niet voorhanden, maar een paar heel kleine dregjes waarvan ik de weerhaken heb platgeknepen moesten het ook wel doen.

Ik begon met vissen waar het grachtje uitkomt in een bredere singel. Tot mijn verbazing werd het heel kleine spinnertje al tijdens de eerste keer dat ik het binnenviste gevolgd door een flinke donkere schaduw. Vlak voor de kant draaide de schaduw die volgens mij een flinke winde was helaas weer weg. Jammer, maar wel hoopgevend natuurlijk.

Een paar meter verderop was het wel raak. Eerst een heel klein kamikazebaarsje en kort daarna een snoeiharde aanbeet, een korte run en vervolgens een helder zilveren flits in het troebele water. Een kleine roofblei vond de spinner duidelijk interessant.

Verder doorvissend richting het eind van het smalle grachtje werd het almaar leuker. In de buurt van het terras waar ik een dag eerder een biertje dronk, en waar nu de kastelein rustig met een vast stokje zat te vissen kreeg ik de ene aanbeet na de andere. Iedere worp was het raak. De meeste kleine baarsjes bleven niet echt plakken, maar een stuk of twintig heb ik er in een half uurtje wel uitgehaald. Een piepkleine brasem en een winde maakten het voor mij compleet.


Alles was opzakformaat: de hengel, het molentje, het aas en de visjes. Dit ga ik vaker doen.

maandag 13 juli 2009

Vlokdobbers

Joop verspeelde toen wij samen de winde achter de schubben gingen een vlokdobbertje, nog gemaakt door dobberbouwlegende Leo Besters. Het dingetje was gelukkig tussen de stenen gedreven, dus met een klein beetje klimmen kon ik het redden. Joop vond dat ik het maar mee naar huis moest nemen. Dat heb ik gedaan, maar niet om de vlokdobber aan mijn verzameling toe te voegen. Mijn idee was om er snel een flink aantal kopieën van te maken, zodat niet alleen ik, maar ook anderen in de toekomst nog met deze mooie vinding kunnen vissen. Het origineel mag binnenkort weer bij Joop in de kast mooi gaan zijn tussen alle andere hengelsportbijzonderheden in zijn hobbyruimte.

De ouderwetse vlokdobber is in wezen een simpel ding. Een bolknakje met een vlakke bovenkant, het enige bijzondere is het vernieuwende van het ontwerp en de kleur van het dobbertje. Van balsa heb ik al snel een aantal gelijkvormige sigaartjes gevormd en de holle antenne die zo kenmerkend is voor alle latere vlokdobbers is gemaakt van de stokjes van wattenstaafjes.

De oranje en gele verf zijn me wel bekend, die gebruik ik al langer voor andere pennen, de zwarte verf lijkt me erg op schoolbordenverf. Een klein experimentje bevestigt dat. Het origineel staat precies goed met 1 SSG-loodje (1,5 gram) dus dat zet ik alvast op de dobbertjes. Ik moet nog wel iets verzinnen op de combinatie van gele verf en oranje verf. Nu liepen ze, zelfs na 24 uur droogtijd, nog in elkaar over. Misschien helpt tussentijds schuren nog wel. Dat zal de volgende keer blijken, maar vooralsnog ben ik het na een aantal pogingen best eens met de manier waarop ze gekleurd zijn. Ik zal de verf nog iets verdunnen, en dan zijn mijn namaaksels waarschijnlijk niet meer van de echte te onderscheiden.

Gisteravond heb ik ze even getest. Al snel bleek dat ik toch iets anders te werk ben gegaan dan Besters. Mijn dobbertjes kunnen maar net aan boven blijven met 1,5 gram loodbezwaring. Het kan zijn dat mijn balsa een iets grotere dichtheid heeft, of dat de laag schoolbordenverf bij mij door het dopen wat dikker is geweest. De volgende serie moet ik dus een heel klein beetje dikker of langer maken, maar dat is niet zo'n probleem. Wat wél fijn is, is dat ik met anderhalve gram lood, een dobbertje en een vlok brood meer dan 20 meter kan werpen.

De windes laten zich overal goed zien. Ze gedragen zich een klein beetje als dolfijnen: ze doorklieven het oppervlak eerst met de kop en vervolgens zie je de rug en als laatste de staart. Ik bedenk me dat het toch niet vreselijk moeilijk moet zijn om ze te vangen, maar dat valt toch nog vies tegen. Gestrooide korsten worden binnen de tijd die ik nodig heb om mijn haak van aas te voorzien al gekaapt door meeuwen, die als bakstenen lijken te ontstaan uit het niets. Met maden bereik ik helemaal geen jota en een vlok wordt ook met rust gelaten.
Een ruisvoorn zwemt zichtbaar onder het oppervlak voor de plompen langs. Ik trek de dot maden tot vlak voor zijn neus en de vis doet precies wat ik hoop. Hij zuigt de toch niet kleine hoeveelheid aas snel naarbinnen en vervolgt zijn weg. Van de dobber heeft hij geen last. Ik heb op mijn beurt weinig moeite met de vis, die 26 centimeter lang is. Best een aardige voorn, maar aan een vijfgrammer is het geen waardige partij.


Een winde van nog geen 15 centimeter weet ik wat later nog te haken. Die kan helemaal niet laten zien wat hij waard is, maar ik hoorde hem nog wel zachtjes zeggen dat hij zijn moeder wel ging roepen...

dinsdag 7 juli 2009

trotten, vlokken en hitte

Het is kwart voor vier als de wekker gaat. Zoals gebruikelijk op dergelijke tijdstippen probeer ik wakker te worden met een korte nogal koude douche en een bak sterke koffie, maar zoals altijd lukt dat maar half. Een hele bos hengels, tassen en andere spullen staat beneden klaar om in de auto gezet te worden. We (Ap, Hans, Wim, Harvey en ikzelf) gaan vandaag vissen in de Kromme Rijn, de oude hoofdloop van de Rijn, die vroeger de noordgrens van het Romeinse Rijk vormde. Van zijn vroegere glorie is niet heel veel meer over nadat in de twaalfde eeuw besloten werd dat de Lek de nieuwe hoofdwaterweg zou gaan vormen, maar het is nog steeds een mooi riviertje. Het stroomt redelijk snel en er zitten, onder andere dankzij de inspanningen van Wim, verschillende stroomminnende soorten in, waaronder kopvoorn en (sporadisch gevangen) barbeel.

Ik ben de laatste die arriveert. Er is nog even tijd voor een sigaret en een korte kennismaking met Hans en Wim, die ik nog nooit eerder had ontmoet. Vervolgens rijden we in colonne naar de eerste plek van de dag. Hier gaan we eerst rustig verder met kletsen en het bewonderen van elkaars materiaal. Wim overhandigt mij een 9-voets blankje, ideaal voor het maken van een lichte lange hengel voor winde, brasem en andere witvis. De toon van de dag is ook al goed gezet: lekker ongedwongen vissen, praten en genieten.
Ik had me van tevoren wel een beetje een voorstelling gemaakt van het uiterlijk van de rivier, maar die was toch niet helemaal correct. Het water is, met ruim anderhalve meter, veel dieper dan ik had verwacht. Het stroomt er ook zó snel dat de pogingen van Ap om snoek te vangen met een streamer niet heel kansrijk lijken. Ik probeer voor het eerst te 'trotten'. Een zelfgemaakte Avondobber naar Engels voorbeeld laat ik, licht geremd, door de stroming meevoeren. De professional zou hier een centrepin voor hebben gebruikt in plaats van een molen, maar gelukkig voor mij schijnt ook een Mitchell 300 nog best geschikt. Die 'pin' komt nog wel eens misschien, voorlopig vind ik het toch wel een dure grap. na met enige moeite de diepte te hebben bepaald laat ik mijn spullen te water. Ik zie wel wat kleine vis, en soms zelfs bellen die sterk aan brasembellen doen denken, maar mijn aas wordt genegeerd, evenals dat van de anderen. Alleen Harvey presteert het om de ochtend te redden en een voorn te vangen.
Omdat de vangsten niet je van het zijn overleggen we over een kleine verhuizing. Wim neemt ons mee naar een vaart die nauwelijks stroomt, en waarin ook redelijk wat gele plomp en riet staat. Ap gaat na aankomst vrolijk verder met zijn streamer, de rest besluit een pennetje te monteren om vervolgens op de bodem op karper, zeelt en brasem te gaan vissen. Ik heb goede hoop op ruisvoorn van baksteenformaat, dus voor mij wordt het een lichte spinhengel met een vlokdobbertje. De eerste voorn is er na de eerste worp al uit. Niet uit de vaart overigens, maar uit een onooglijk slootje ernaast. Nummer twee volgt de eerste snel, maar dan vind ik ook dat er beter gevist kan worden op groot wild.

De temperatuur is inmiddels hoog opgelopen, de wind is vrijwel afwezig en het water ligt er stil en open bij. Wat mij betreft zijn dat uitstekende omstandigheden om vis onder het oppervlak te treffen, maar daarin blijk ik me flink te vergissen. Een paar kleine ruisvoorns zie ik, en iets waarvan ik me nog steeds afvraag of het alver of roofblei is geweest. Eén exemplaar is veel te groot voor een alver, dus misschien was het toch een roofblei. Vangen deed ik hem niet. Harvey heeft een plek gevonden in de schaduw van een boom. Hij probeert, met één van de twee prachtige Fair Play hengels die hij mee heeft genomen een karper te vangen. Ap is naast hem in de schaduw gaan zitten, en ik doe even mee.

Terug bij Wim en Hans, die niet ver hebben gelopen hoor ik dat zij nog niets hebben gevangen. Ik besluit het aan de andere kant nog even te proberen. Twee karpervissers zien eruit als vissen op het droge. Ze hebben het warm en op een paar brasems na hebben ze niet veel gezien. Het vlokvissen laat ik voor wat het is. Met een spinnertje wil ik wel een baarsje vangen, ze jagen soms zichtbaar langs de planten. Helaas lukt dat niet. Wim en Hans staan gezellig met Ap te keuvelen als ik terug kom. We eten een eitje, drinken wat kokend heet water en bedenken ons wat de andere plannen nog gaan zijn. Ik haal Harvey alvast maar op. Als jongste deelnemer heb ik weinig in te brengen: lopen zal ik. Gelukkig vindt ook Harvey het prima om nog even te verkassen, terug naar de Kromme Rijn, maar dan een plek met een wat ander karakter dan de eerste.

Op onze derde stek staan wat meer planten in het water, en er staan bomen langs de kant die deels over het riviertje heen groeien. Naar insekten stijgende vissen geven de burger nog wat moed. Harvey kiest een plek vlak bij de kant, waar hij zijn pennetje kan laten zakken zonder dat het direct meegevoerd wordt. Ik probeer weer te trotten op verschillende dieptes samen met Hans, en Ap en Wim gaan vlokkend aan de gang. Hans is de eerste die succes heeft met een "dikke vette brasem". Al snel staan we met zijn vieren op een brug, de hengels in de hand en af en toe wat voer werpend te kijken naar dobbers die we stil proberen te houden door het lood op de bodem te laten zakken. Een wat onorthodoxe manier van vissen, maar het werkt wel. Wim vangt vis, Hans vangt er nog een voorn en een blei bij, en ik hetzelfde. Gelukkig vindt iedereen het wel prima zo. We maken opmerkingen naar mensen in bootjes, we kletsen en we maken grappen over meervallen en andere watermonsters als ik weer eens vastzit aan een flink obstakel vlak onder me. De barbeel waarop ik een beetje gehoopt heb is helaas uitgebleven, de kopvoorns hebben we ook niet gezien, maar een lekkere dag uit was het zeker.
Wim, bedankt voor een mooie dag in het Utrechtse water, ik kom zeker nog eens terug.