Zondag 4 mei 2008

Gisterochtend stond ik netjes, zoals ik mezelf beloofd had, om 5 uur naast mijn bed. Het was buiten nog dusdanig donker dat ik het geen slecht idee vond om eerst rustig wat koffie te drinken en alvast een heel simpel tuigje in elkaar te knopen. Een haakje maat 8, heel dundradig, eigenlijk een brasemhaak, een
BB loodje en een stukje pauwenpen van ongeveer 2 cm moesten voldoende zijn. Met deze constructie kan ik gemakkelijk overstappen op drijvend vissen, zonder dat ik dingen van mijn lijn hoef te gaan slopen. Vooral als de karpers ineens etend onder het oppervlak verschijnen loopt bij mij de spanning dermate hoog op dat ik geen geknutsel meer kan hebben.
Om zes uur ben ik op mijn plek. Dit watertje is ooit begonnen als 'wiel', binnenkomend water na een dijkdoorbraak heeft een min of meer ronde kuil geslepen, en toen de dijk gerepareerd was bleef een poel met een redelijke diepte over. In de vijftiger jaren is hier een woonwijk gebouwd, en de poel is uitgebreid met een kleiner (en mooier) broertje, en de twee zijn verbonden door een nogal fantasieloos aangelegde sloot, die veel ondieper is dan de beide poelen. Vanaf de dijk heb ik een mooi uitzicht op de sloot, en daar ga ik, omdat het water hier warmer is dan elders, eerst even kijken. Naar activiteit hoef ik niet lang te zoeken. Het duurt even voordat mijn duffe hoofd de signalen juist interpreteert: op verschillende plaatsen zijn blankvoorntjes, vooral ondermaatse visjes, hun eieren aan het leggen. Het ziet eruit alsof een flinke vis de graskanten afgraast, maar het bijna klaterend geluid paste daar niet bij. Een kleine domper op de feestvreugde wat mij betreft. De laatste keer dat ik tijd had om te vissen waren de karpers brasemeieren aan het eten, nu zullen ze wel gefixeerd zijn op voorneieren. Dat hier een kern van waarheid in zit blijkt als alle karperactiviteit in de directe nabijheid van kleine schooltjes
paaiende voorns te vinden is.
Mijn hengel, een
Bansberg uit 1978, en het net zijn snel in elkaar gezet, en ik bewonder in het eerste licht de frisgroene kleur van de nieuwe wikkelingen, die in de oude toestand eerder de kleur van verdord gras hadden, omdat de lak zo vergeeld was. Bovendien zien de hardverchroomde geleideogen van het conventionele type er heel wat beter uit op zo'n hengel dan de iel uitziende matchoogjes, die op verzoek van de eerste eigenaar in de plaats kwamen van bovengenoemde 'normale' ringen. Het heeft me een paar weken gekost om de hengel op te knappen, maar het resultaat mag er best zijn.
De eerste karper die zich laat zien, net naast een mini plompenbedje van drie bladeren groot krijgt wat
maïskorrels over zich heen. Hij is niet onder de indruk van het neerkomen van de gele korreltjes, dus mijn haakje,
beaasd met nog vier van die korrels volgt vrijwel direct. De karper aast, en al snel verdwijnt het stukje pauwenpen, en loopt de lijn strak. Op de aanslag volgt de vertrouwde kolk, gevolgd door een boeggolf (-je, zo groot is de vis niet). Het enige wat niet klopt is dat mijn lijn blijft wijzen naar de plek waar hij al was, en zacht getreuzel laat zich voelen. Een brasem heeft mijn haakaas recht voor de neus van de karper weggekaapt...Niet eenvoudig uit het veld te slaan probeer ik het twintig meter verderop opnieuw, vlak langs de kant ditmaal, waar een karpertje zich tegoed doet aan het nageslacht van de blankvoorntjes. De eerdere gebeurtenis herhaalt zich bijna precies, alleen was de karper ditmaal iets groter, en de brasem juist kleiner.
Omdat het vissen in het slootje waarschijnlijk telkens deze resultaten
gaat geven
besluit ik mijn laatste uurtje door te gaan brengen in het kleinste van de twee poelen. Daar blijkt iemand anders al op hetzelfde idee te zijn gekomen. Geen moderne
bivvybewoner, zoals hier gebruikelijk, maar iemand die net als ik gewoon op de grond zit, ver van de kant, in plaats van op een van de drie aanwezige houten vissteigertjes. Ik val hem even lastig, en hij blijkt een serieuze en vriendelijke penvisser. Zijn hengel is een Fair
Play, waarover een positieve opmerking natuurlijk gauw gemaakt is. Hij is wat sceptisch over mijn
cardinal 33, maar een gespreksonderwerp hebben we. Om het vangen van brasems tot een minimum te beperken heeft hij al vanalles geprobeerd, maar zelfs het gebruiken van een bal
Smac zo groot als een pingpongbal resulteerde in brasem. Het was wel een grote...
Even links van ons trekt een karper de aandacht. Hij duwt een afgewaaide tak opzij, en de hoeveelheid gasbellen die daarbij vrijkomt zou Slochteren zich doen schamen. Ik herinner me waarvoor ik kwam, en loop een stuk om. Het
gaat nog even duren voordat de
zon echt op is, en mijn laatste uurtje breng ik karperloos, maar gelukkig ook brasemloos door.
De middag en het begin van de avond zijn voor dit verhaal oninteressant. We hebben de tuin opgehoogd, een terras en paden aangelegd, verschrikkelijk hard met een rubber hamer op mijn vingers geslagen en in het gat waaruit het benodigde zand kwam een laag
PVC folie gelegd. Zo heb ik nu een vijver.
Na het eten ga ik opnieuw, maar minder optimistisch naar het water. Mijn vrouw wilde graag mee, en om haar een plezier te doen ga ik naar hetzelfde poeltje waar ik vanochtend
geëindigd ben. Het is daar rustig, best mooi en ze kan op een steigertje zitten en lezen. Lezen wordt het bellen van vriendinnen, en ze zit een stukje verderop lekker met haar benen te zwaaien boven het water. Het wordt al wat donkerder, en een koppel dwergvleermuizen fladdert snel over. Een grotere vleermuis, ik
denk een meervleermuis, plukt met rare capriolen wat grotere motten uit de lucht.
Onder water gebeurt iets, er ontstaan kleine bellenplakkaatjes, en het wateroppervlak, net nog stil, lijkt wel te wiebelen. Dat dit geen brasem is staat vast, het water is hier zeker driekwart meter diep, en een brasem die zo groot is dat hij met zijn kop in de modder kan wroeten, en tegelijk met zijn staart bijna het water raakt verwacht ik hier niet. Ik lig achterover en ik houd me stil, maar toch ruikt de vis onraad, en ik zie een
V-vormige golf heel langzaam van mijn plek af gaan. Ik maak van de gelegenheid gebruik om wat bij te voeren, en mijn haak opnieuw te
beazen.Hetzelfde gebeurt nog eens. De karper lijkt, vlak voordat het echt donker wordt, toch nog los te komen om mijn dag goed te maken. De derde keer moet scheepsrecht zijn. Zonder de eerdere aankondigingen in de vorm van bellen en beweging schokt mijn
kurkje even. Ik vis 's avonds met een klein doorboord kurkballetje, waarin precies een breekstaafje past. Het
kurkje schuift rustig naar rechts. Mijn lijn kan ik niet meer zien, dus ik sla als het me lang genoeg geduurd heeft. Ik had gedacht het gevoel te gaan krijgen alsof ik aan de hele wereld vastzat,
gesuis van de wind in mijn lijn te horen en me zorgen te moeten maken over de afstelling van mijn 32 jaar oude
cardinal. Niets van dat... Van enige diepte komt een dikke brasem boven.
Chris Yates beschrijft de brasems van stilstaand water heel treffend: "Als je ze haakt zijn ze half in slaap, en tegen de tijd dat ze op de kant komen verkeren ze in comateuze toestand."
Alice is omgelopen. Vol ontzag kijkt ze naar de, in haar ogen, grote en dikke vis, die ook nog eens een mooie bronzen, bijna groene kleur heeft. Ik kan een vloek
te nauwernood inhouden. Het beest is zo dik dat ik hem nauwelijks in de nek kan vatten, zeker omdat mijn linker middelvinger verschillende tinten paars is gekleurd, en vervelend klopt. De vis komt uiteindelijk boven, om ook zo snel mogelijk weer te gaan zwemmen in zijn eigen wereld.Het moet gewoon zo zijn. De vorige eigenaar van deze hengel had er niet voor niets matchogen op gezet. Het ging hem niet om het plakken van de lijn, of om het mooie van de gevoerde
aqualite start- en topoogjes, het moest gewoon een brasemhengel worden. De hengel weet dat, en de vissen ook. Alleen ik had een hele dag nodig om tot dat besef te komen.